Gedetineerden moeten eerst betalen voor vrijheid

Op woensdag 14 februari 2018 sprak de Tweede Kamer met minster Sander Dekker van Rechtsbescherming over een rapport van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) over de re-integratie van gedetineerden. Toen ik het debat aan het terugkijken was viel het voorstel van VVD-Kamerlid Foort van Oosten mij het meeste op. Omdat het volgens van Oosten op dit moment kan gebeuren dat gedetineerden op vrije voeten komen terwijl ze nog een schadevergoeding aan een slachtoffer of slachtoffers moeten betalen. Om te voorkomen dat het wanbetalers worden wil van Oosten dat gedetineerden pas een voorwaardelijke invrijheidstelling krijgen als deze schuld betaald is en als men echt niet voldoende geld heeft dan volstaat een betalingsregeling.

SYMBOOLPOLITIEK

Toen ik dit hoorde kon ik mijn verbazing niet onderdrukken en het eerste woord wat bij mij opkwam is symboolpolitiek. Eind 2015 verscheen namelijk het bericht dat de overheid vanaf 2016 de voorschotregeling uit zou breiden naar alle strafzaken (sommige zaken gemaximeerd tot €5.000,-)
Als de dader in een strafzaak acht maanden na het vonnis van de rechter nog niet aan zijn betalingsplicht heeft voldaan, kan het slachtoffer aankloppen bij het CJIB. Ook als de veroordeelde slechts gedeeltelijk heeft betaald, vult de overheid dat aan. Het plan kan zorgen voor ongelijkheid want lang niet iedere dader krijgt een vrijheidsstraf van de rechter maar kan wel de schadevergoedingsmaatregel opgelegd krijgen. Ik vraag me af hoe dit voorstel zich zal verhouden tot de huidige Aanwijzing Executie van het OM en de houding van rechters die de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

DE SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is het uitgangspunt dat de Staat (CJIB) zorg zal dragen voor de inning van de schadevergoeding.

Binnen de wet, art. 36f jo. 24c Sr, is opgenomen dat de rechter moet bepalen dat er een vervangende hechtenis moet worden uitgezeten op het moment dat er geen volledige betaling volgt.
Helaas is in veel gevallen deze vervangende hechtenis, die anders dan de naam doet vermoeden niets vervangt want men moet nog steeds betalen, niets meer of minder dan een (extra) vrijheidsstraf.
Als men veroordeeld is dan krijgt de dader een acceptgiro van het CJIB, deze moet hij/zijn betalen of zo snel mogelijk contact zoeken om tot een betalingsregeling te komen. Het probleem daarbij is dat er, zeker bij grotere bedragen en lage aflossingscapaciteit, niet een hele grote ruimte is voor een regeling. In het beginsel treft men geen regeling getroffen en als men dat al wel doet dan is de maximale duur van een regeling 36 maanden.

Als iemand een vrijheidsstraf heeft gekregen en gedetineerd is dan doet een andere wonderlijke situatie zich voor. De invordering van de schadevergoeding zal starten tijdens de detentie en het spreekt geheel voor zichzelf dat iemand die in detentie zit geen inkomsten heeft buiten de circa 12 euro per week die men in de gevangenis kan verdienen tijdens de arbeid waar men vervolgens ook de huur van de TV en eventueel een belkaart, frisdrank, koffie en mogelijk rookwaren van moet betalen, met andere woorden weinig kans op een succesvol aflossing via het CJIB/een deurwaarder. Heel wrang ook voor de betrokken dader want in de Aanwijzing Executie is opgenomen dat vervangende hechtenis, lijfsdwang of gijzeling zoveel mogelijk aansluitend aan de detentie ten uitvoer zal worden gelegd. Op die manier is de “vervangende” hechtenis dus een extra vrijheidsstraf en dat is niet de bedoeling van het middel.

KRITISCHE BLIK BIJ BETALINGSONMACHT

Het zou goed zijn als de rechter(s) in het strafproces kritisch zou kijken naar de financiële situatie van een verdachte zodat de rechtbank rekening kan houden met de aflossingscapaciteit voordat zij een beslissing neemt over de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het gebrek aan draagkracht kan namelijk bij uitzondering reden zijn om de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen (HR 19 juni 2006, ECLI:NL:HR:2007:AZ8788, NJ 2007/359) die uitzondering zal vrijwel altijd aanwezig zijn op het moment dat vaststaat dat oplegging van de schadevergoedingsmaatregel slechts zal resulteren in de tenuitvoerlegging van de “vervangende” hechtenis. In veel gevallen komt men daar niet aan toe en leggen rechters bij een toewijzing van de schade aan de benadeelde partij (slachtoffer of nabestaanden) automatisch de schadevergoedingsmaatregel met de vervangende hechtenis op.

Advocaten zouden hier ook meer een punt van moeten maken behalve het benoemen van de persoonlijke omstandigheden van verdachten en het (vaak) concluderen tot (gedeeltelijke) afwijzing van de vordering benadeelde partij. Men zou immers nog beter het belang van de verdachte dienen door ook specifiek in te gaan op de onmacht tot het aflossen binnen de termijn zoals opgenomen in de Aanwijzing Executie.

In een arrest van 17 oktober 2017 van het Gerechtshof Amsterdam heeft het Hof afgezien van het opleggen van schadevergoedingsmaatregel met de volgende overweging ; “Gelet op het bepaalde in artikel 24a van het Wetboek van strafrecht, dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel van overeenkomstige toepassing is, is er echter geen mogelijkheid de schadevergoedingsmaatregel op te leggen ten aanzien van de volledige schade met een termijnbetaling van € 100,00 per maand. Bij een betaling in termijnen mogen de termijnen tezamen het tijdvak van twee jaren immers niet overschrijden. Daarom wordt afgezien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel, nu zich hier de uitzonderlijke situatie voordoet dat op voorhand vaststaat dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van vervangende hechtenis als de betaling niet in termijnen – van voornoemde, tamelijk beperkte omvang – kan plaatsvinden.

De “vervangende” hechtenis heeft niet als doel om als extra straf te dienen maar heeft te dienen als extra stimulans om aan de betalingsverplichtingen te voldoen, noem het in bepaalde mate een stok achter de deur. Helaas schiet maar al te vaak het middel “vervangende” hechtenis het doel voorbij. Mensen die geen celstraf hebben gekregen komen in de gevangenis en komen daar veelal slechter uit dan dat ze erin gingen. Tot zover de aflossingscapaciteit. En na de tenuitvoerlegging van die “vervangende” hechtenis moet men alsnog alles betalen, een “vervangende” hechtenis kan maar 1 keer worden ondergaan en daarna zal een deurwaarder verplicht zijn rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden (beslagvrije voet etc.)

EN NU?

Zoals ik al zei lijkt het idee van kamerlid van Oosten op symboolpolitiek in het kader van de al bestaande regelingen waarbij slachtoffers de schade voorgeschoten krijgen vanuit het CJIB en zie ik uit naar een degelijke onderbouwing van dit “plan” want op dit moment zie ik die niet.
Het debat ging over de re-integratie van gedetineerden, de terugkeer van mensen in de maatschappij net het uitzitten van de straf maar met dit plan en met de inbreng van kamerlid Markuszower (PVV) bekruipt mij het gevoel dat het meer gaat om mensen zo lang mogelijk binnen houden om een signaal af te geven naar de maatschappij.

Maar die maatschappij daar maken daders ook deel van uit en als men wenst te voorkomen dat deze daders wanbetalers worden dan doet men er misschien beter aan om de Aanwijzing Executie aan te passen zodat men in ruimere mate tot een afbetalingsregeling kan komen waardoor een rechtbank de schadevergoedingsmaatregel in huidige vorm kan blijven toepassen en zodat het CJIB in combinatie met de “vervangende” hechtenis als stok achter de deur kan blijven dienen waardoor men uiteindelijk dus ook iets meer oog heeft voor de betalingsonmacht die in veel gevallen aan de orde is.


Op het moment dat er een schadevergoeding is toegewezen dan is het zaak dat dit zo snel mogelijk bij het slachtoffer terecht komt zodat deze niet tot in lengte der dagen geconfronteerd zal worden met het delict en/of de dader omdat men iedere maand op het bankafschrift een overboeking ziet. Mijn kritiek ziet dus op geen enkele wijze op de positie van het slachtoffer.  Het is geen geheim dat ik zelf meermaals de schadevergoedingsmaatregel opgelegd heb gekregen door mijn strafbare en verwerpelijke gedragingen en dat ik door gebrek aan een persoonlijke aanpak en de bestaande Aanwijzing Executie in totaal 10 maanden heb vastgezeten in het kader van de “vervangende”  hechtenis. Deze blog is ook niet geschreven uit frustratie daarover bovenstaande is slechts een persoonlijke kritische kijk op het plan van het kamerlid van Oosten en de huidige situatie met betrekking tot de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Sebastiaan Beens